Overslaan naar inhoud

Gezondheidszorg



5 jaar na Corona, wat moeten we onthouden?

Hebben we iets onthouden? Heeft de wetenschap het virus verder bestudeerd? Waarmee moeten we rekening houden in de toekomst? Wat weten we al? Op één vraag kwam recent een antwoord. De veroudering van onze hersenen verliep tijdens de coronafase gemiddeld ruim vijf maanden sneller dan voordien. (bron: DM, 23.07.2025)

In Engeland hebben een aantal wetenschappers een duizendtal hersenscans van volwassenen geanalyseerd. De proefpersonen hadden allen minstens twee keer een hersenscan ondergaan met minstens enkele jaren er tussenin. Bij sommigen was één scan genomen voor het coronavirus en een tweede na de start van de pandemie. Bij de controlegroep vonden beide scans voor de pandemie plaats. Er werd op basis van volumeveranderingen in de grijze en witte stof telkens de breinleeftijd berekend. De analyse van de hersenscans gebeurde met behulp van een zelflerend algoritme dat eerst gevoed was met hersenscans van ruim 15.000 gezonde volwassenen, en zo had geleerd hoe ons brein er op verschillende leeftijden er uit ziet. Een verrassend groot effect, aldus ouderenpsychiater Matthieu Vandenbulcke, UPC KU Leuven, dat uit de analyse kwam, meer bepaald dat de breinen van mensen tijdens de pandemie gemiddeld 5,5 maanden sneller verouderden dan van degenen in de controlegroep. De pandemie heeft ons geen deugd gedaan. De sociale isolatie, de chronische stress, het minder bewegen, de vaak ongezonde voeding hebben sowieso een negatieve impact op de hersenveroudering. Uit het Brits onderzoek is tevens gebleken dat het effect het meest uitgesproken was bij mannen, ouderen, en mensen in een sociaal kwetsbare positie. Of de effecten onomkeerbaar zijn, is volgens neuroloog Paul Boon van de UGent, niet duidelijk. Daarvoor zouden de mensen langer opgevolgd moeten worden. 

Naast deze gegevens werd er bij een kleinere groep proefpersonen, ook een test gedaan om het cognitief functioneren te evalueren. Bij wie tussen de beide metingen een corona-infectie doormaakten, was er een verband tussen versnelde breinveroudering en cognitieve achteruitgang zoals een verminderde verwerkingssnelheid en mentale flexibiliteit. Het gaat echter om een gemiddelde. Niet alle geïnfecteerden gingen er allemaal cognitief op achteruit. Deze gegevens sluiten aan met eerdere onderzoeken. Verminderde aandacht, concentratiestoornissen, brain fog, zijn vaak gerapporteerde klachten. Wat dit onderzoek vooral aantoont, is dat het coronavirus ook onrechtstreeks een tol eiste. Volgens de specialisten zouden de beleidsmakers bij het afkondigen van maatregelen in pandemiefases mogelijks in de toekomst, rekening moeten houden met deze resultaten. 


Onze kijk op medicatie

Een bejaarde in een woonzorgcentrum die lastig doet, krijgt antidepressiva of slaapmiddelen voorgeschreven. Zorgt het personeelstekort ervoor dat de woonzorgcentra sneller naar kalmeringspillen grijpen?


Enkele maanden geleden verscheen een onderzoek waaruit bleek dat in de Vlaamse woon-zorgcentra, teveel medicatie wordt toegediend, vooral wat antidepressiva en slaap- en kalmeermiddelen. Op dit onderzoek werd gereageerd door Jurn Verschraegen, directeur bij het Expertisecentrum Dementie Vlaanderen en door Joke Pauwelyn, huisarts bij hetzelfde instituut. (bron: DM, 25.07.2025)

Door de vergrijzing van de bevolking neemt ook het aantal mensen dat geconfronteerd worden met dementie, toe. Hoe zullen deze dementerende ouderen in de toekomst begeleid worden? Heel wat zelfstandige thuisverpleegkundigen merken nu reeds dat er problemen zijn om deze patiënten thuis te begeleiden. Vaak gaat het om een ouder koppel waarvan één van beiden aan dementie lijdt. De partner probeert zo goed en slecht als mogelijk de opvang en de verzorging, samen met de thuisverpleegkundige, te organiseren. Dat dit heel veel inspanning vraagt en vaak voor problematische situaties zorgt, hoeft geen nadere uitleg. Vandaar ook dat er geen andere optie blijft, om dergelijke patiënten op een gegeven moment te laten opnemen in een woon-zorgcentrum. Maar ook daar is er vaak een tekort aan personeel en aan aangepaste activiteiten waardoor de patiënten moeilijk begeleidbaar zijn. Dat verklaart, aldus de twee auteurs van het artikel, dat de helft van de bewoners antidepressiva voorgeschreven krijgen. Evenzoveel patiënten krijgen slaap- en kalmeermiddelen. Aan een derde van de bewoners worden antipsychotica gegeven. In een aantal gevallen is deze medicatie terecht maar er is een zorgwekkende trend om alsmaar meer van dergelijke medicatie voor te schrijven. Psychofarmaca worden te vaak gebruikt bij mensen die geen symptomen hebben die dit kunnen rechtvaardigen. Bij de minste twijfel wordt naar dergelijke middelen gegrepen terwijl de meetinstrumenten die de ernst van de mogelijke problemen kunnen inschatten, onderbenut blijven. Het zijn vaak de zorgverleners die naar eigen inzicht de symptomen bij de bewoners, die niet in staat zijn om hun eigen klachten te benoemen, interpreteren. Er heerst bij heel wat zorgverleners ook de overtuiging dat een niet-medicamenteuze aanpak niet werkt. Ook familieleden vragen soms onderdrukkende medicatie omdat ze denken dat er veel lijden achter onrustig gedrag schuilt. Wat ook een rol speelt, is dat in vooral grote woon-zorgcentra, er diverse huisartsen voorschrijven wat het overzicht bewaren, moeilijk maakt. Ook worden er om diverse redenen te weinig betekenisvolle activiteiten aangeboden die zorgen voor afleiding en een gezonde vermoeidheid.

De medicatie is niet zo onschuldig en zorgt vaak voor ernstige bijwerkingen. Zo kunnen ze het risico op beroerte verhogen, zorgen ze voor bewegingsstoornissen, vergroten ze de kans op vallen, verminderen ze het bewustzijn, kunnen ze het hartritme verstoren, zorgen ze vaak voor gewichtstoename en een gestoorde suikerregulatie en de kans op hospitalisatie. Daarenboven is er vaak sprake van emotionele vervlakking of verminderde interesse in het leven en de omgeving. De twee auteurs geven dan ook een duidelijke boodschap: gebruik dergelijke medicatie enkel bij duidelijke indicatie, in de laagst mogelijke dosering en voor beperkte tijd en hou de bijwerkingen in de gaten en bouw af zodra mogelijk. Wanneer het gebruik van de psychofarmaca noodzakelijk zijn, is het aangewezen om te werken met een strikt opvolgingsplan. De drie vragen die telkens zouden gesteld moeten worden, zijn: waarvoor dient het?, hoelang moet het gegeven worden?, is het bij deze persoon nog zinvol? Het principe ‘never change a winning team’ is hier een slechte indicatie, maar het wordt te vaak en te laconiek toegepast. Zelfs wanneer men het gewenste effect bereikt heeft, durft vrijwel niemand het initiatief te nemen om te stoppen.

Nochtans zijn er woon-zorgcentra waar het anders kan. Daar wordt er meer ingezet op betekenisvolle dagbesteding, persoonlijke aandacht, voldoende personeel. In dezecentra is er minder medicatiegebruik. De twee auteurs ijveren voor een psychosociale aanpak, maar duiden ook op een cruciale rol voor iedereen die betrokken is bij de zorg van kwetsbare ouderen. Het gaat niet enkel om artsen, verpleegkundigen, zorgkundigen, maar ook om apothekers, kappers, onderhoudspersoneel, familieleden, maar ook de bewoners zelf. De omgeving dient alert te zijn en te kunnen opmerken dat bijvoorbeeld een bewoner er versuft bij zit. De auteurs pleiten dan ook voor voldoende en goed opgeleid personeel, meer psychologische begeleiding en ondersteuning, een ruimer aanbod aan betekenisvolle activiteiten. Ook persoonsgerichte zorg die rekening houdt met de individuele noden en voorkeuren van elke bewoner, is belangrijk. Vandaar ook dat ze besluiten dat medicijnen, nuttig kunnen zijn maar mogen nooit een standaardantwoord zijn op onbegrepen gedrag of onrust.